Een niemand dienende uitdijing van regel en regeltjes

Niet juist acht de voorzieningenrechter het verder dat het aanbestedingsrecht, en daarvan het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel, er toe nopen om iedere tekortkoming, hoe gering ook, af te straffen met een ongeldigverklaring. Niet alleen leidt een dergelijke opvatting tot een niemand dienende uitdijing van regel en regeltjes, formulieren, toelichting et cetera, maar ook kan dit het voor aannemers met minder bureaucratische mogelijkheden onevenredig zwaar maken om te concurreren op het gebied van overheidsopdrachten met datgene waar zij goed in moeten zijn (kort gezegd: het leveren van goed werk tegen de beste prijs). Dat laatste is nu juist het na te streven doel en in dit licht wil de voorzieningenrechter beslissen of de tekortkoming bij de inschrijving van X afgestraft moet worden met het niet mogen meedingen om de opdracht.

De rechtbank Assen staat niet een al te bureaucratische interpretatie van het aanbestedingsrecht voor juist ook om de kleinere inschrijver c.q. aannemer te beschermen.

H/T: Dirkzwager Advocaten en Notarissen
Uitspraak hier in te zien (nog niet op rechtspraak.nl)

You can edit this ad by going editing the index.php file or opening /images/exampleAd.gif

E-mail is geen zaak

Niet gebleken is voorts dat de zich daarop bevindende digitale gegevens (e-mails/documenten), die zelf weer een kopie zijn van de originele e-mailbox, op zichzelf vatbaar zijn voor afgifte (revindicatie) zoals [appellante] heeft gevorderd. Immers, ingevolge artikel 5:2 BW is revindicatie beperkt tot zaken. Gesteld noch gebleken dat e-mails en digitale documenten zaken zijn, nu ingevolge artikel 3:2 BW als zaken moeten worden beschouwd de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Daarvan is geen sprake.

Vordering van een rechtspersoon op haar voormalige directeur tot revindicatie van e-mails slaagt niet. Digitale bestanden zijn volgens de rechter geen zaken en dus niet revindiceerbaar.

LJN: BQ5240

Terpostbezorging

3.5.3. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Dit uitgangspunt sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters.

3.5.4. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd.

Volgens art. 6:9 lid 2 AWB is een beroepschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Uit jurisprudentie is op te maken dat een datumstempel van het postbedrijf niet een eerdere terpostbezorging uitsluit. De bewijslast dat het beroepschrift eerder ter post is bezorgd is – zo bekrachtigt de Hoge Raad nog maar eens – uiteraard aan de belanghebbende. Die slaagt daar niet in en het eerdere oordeel van  niet-ontvankelijkheid door de rechtbank Haarlem blijft dan ook in stand.

LJN: BP2138

Belasting voor uitbeenwerk

Na uitleg aan de hand van de juiste (Haviltex)maatstaf van het contract en de aanvullende bepalingen, met name art. 12, is het hof tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is omdat onder dat artikel niet een eventueel (als gevolg van een niet voorziene standpuntwijziging met betrekking tot het werkgeverschap van Skare) door de Deense overheid van Skare geheven belasting valt, terwijl het risico van Deense belastingheffing (naast de in het contract voorziene heffing van Nederlandse loonbelasting bij Flexmen) bij het in Denemarken gevestigde Skare berust en is blijven berusten (omdat het contractueel niet bij Flexmen is gelegd). Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.

Het Nederlandse Flexmen levert aan het Deense Skare arbeidskrachten ten behoeve van uitbeenwerk. Afgesproken wordt binnen de regels van een Nederlands-Deens belastingverdrag te blijven waardoor Skare geen belastingen verschuldigd zal zijn. De Deense overheid past de defintie van werkgever in het verdrag aan waardoor Skare wel wordt aangeslagen voor belasting. Betekent dit dat Flexmen de belastingverplichtingen dient over te nemen? Het Hof in Den Haag meent na Haviltexen van niet. De cassatie van Skare berust volgens de Hoge Raad op “een verkeerde lezing van het arrest van het hof, zodat zij bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kunnen leiden”. Volgende keer beter lezen!

LJN: BN7886

Wrakingsverzoek Rijdende Rechter

De enkele omstandigheid dat door een medewerkster van het juridisch loket in een op de website van de NCRV gepubliceerde blog een algemene opmerking wordt gemaakt over een met de hoofdzaak vergelijkbare aangelegenheid, kan niet gerekend worden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Enerzijds omdat de kantonrechter naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden vereenzelvigd met voornoemde medewerkster en anderzijds omdat uit de blog geenszins blijkt dat de opmerking aan de kantonrechter kan dan wel zou moeten worden toegerekend. Zelfs indien een koppeling tussen de opmerking van de medewerkster en de kantonrechter wel te maken zou zijn, is hierin geen grond voor wraking gelegen nu van enig verband tussen de professionele uitlating op de website en de hoofdzaak niet is gebleken. 

Wrakingsverzoek betreffende Mr. Frank Visser - beter bekend als de Rijdende Rechter. Verzoekster meende dat uit een blog was op te maken dat de rechter reeds een vooringenomen standpunt had ingenomen over de zaak die vergelijkbaar was met het onderwerp van de blog. Zelfs al had Mr. Visser iets met de publicatie te maken dan nog is van een objectieve rechtvaardiging voor vrees voor partijdigheid geen sprake, aldus de rechtbank Haarlem.

LJN: BP1997
H/T: Nederlands Juridisch Dagblad

De schadeplichtige makelaar

Op grond van een en ander is het aannemelijk dat [ Appellanten ] met een bouwkundige rapportage in de hand waaruit de gebreken aan de gevels zouden zijn gebleken had dooronder¬han¬deld over de koopprijs en overeenstemming met verkopers zou hebben bereikt voor een koopprijs die € 40.000,- lager zou hebben gelegen dan wat [ Appellanten ] in werkelijkheid heeft betaald. De schade van [ Appellanten ] zal daarom op dit bedrag de worden bepaald.

De makelaar die niet goed adviseert moet op de blaren zitten. Nu uit een adviesrapport van een andere makelaar-taxateur blijkt dat door gebreken aan de gevels van een woning de koopprijs € 40.000,- lager had moeten liggen, stelt de rechter dat bedrag als schade vast welke door de makelaar dient te worden vergoed. De verkopende partij aanspreken was namelijk niet mogelijk door een oudersdomsclausule in de koopovereenkomst. De makelaar had een bouwkundig onderzoek moeten adviseren.

LJN : BO9749